De kruisdood van Jezus door Rogier van der Weyden

Middenpaneel van de triptiek van de zeven sacramenten

Aan de voet van het kruis staan: de apostel Johannes met Maria, de moeder van Jezus, - het was een crux voor schilders om een Maria uit te beelden die van smart bezwijkt en zelfs in bezwijming valt, en tegelijkertijd te laten zien dat haar geloof niet bezwijkt - en de drie andere Maria’s: Maria Magdalena (1) (aan de voet van het kruis), Maria (Cleophas) (2) en (Maria) Salome (3); deze vrouwen zullen ook de eerste getuigen van de verrijzenis zijn (althans van het lege graf!) (4).

  1. In de Middeleeuwen en ook nog in de 15de eeuw werd Maria Magdalena geïdentificeerd met twee andere personages die thans, o.i.v. de kritische exegese die overigens al in de vroege 16de eeuw (Erasmus) begint, van haar onderscheiden worden: Maria, zuster van Martha en Lazarus, en de vrouw die in het huis van Simon de Farizeeër (Lk) of Simon de melaatse van Betanië (Mk en Mt) Jezus’ voeten met tranen wast en/of hem (de voeten) zalft; bij Johannes is dit Maria, de zuster van Martha en Lazarus. We willen hierbij aantekenen dat weliswaar de identificatie van Maria Magdalena ons niet steekhoudend lijkt, maar dat o.i. niets die met de vrouw die Jezus zalfde in de weg staat; wat dit betreft menen we ons aan de traditie te kunnen houden.
  2. Maria, de zuster van Jezus’ moeder en de dochter (of vrouw?) van Cleophas of eigenlijk Klopas (Joh 19,25; het is echter niet onmogelijk dat hier twee verschillende vrouwen bedoeld zijn!), wordt geïdentificeerd met de moeder van Jakobus (Mk en Mt). Deze Jakobus, die meermaals ter sprake komt in de Handelingen van de Apostelen en in de brieven van Paulus en de auteur zou zijn van de Jakobusbrief, wordt in het N.T. bij herhaling broeder (= neef) van Jezus genoemd. Ook de andere broeders des Heren waarvan in het N.T. sprake is, zouden bijgevolg zonen van Maria van Klopas zijn. De kritische exegese stelt dit echter nogal eens in vraag en meent dat met die ‘broeders’ echte broers van Jezus en zonen van Jozef en Maria bedoeld zijn. Er lijken ons echter geen doorslaggevende redenen te zijn om in te gaan tegen de traditie, die ‘broeders’ als neven begreep. Maria van Klopas werd ook nogal eens geïdentificeerd met de vrouw van Alfeüs en zou dus de moeder zijn van de tweede apostel met de naam Jakobus (de Mindere of de Jongere), die zoon van Alfeüs genoemd wordt. Dit veronderstelt dan wel dat deze apostel Jakobus dezelfde is als de Jakobus, broeder des Heren, die we in Hand en bij Paulus zowat als ‘bisschop’ van Jeruzalem zien fungeren. De apostel Judas (Taddeüs) is een broer van de apostel Jakobus, zoon van Alfeüs, en zou dus ook een broeder des Heren zijn. Hij zou dan bovendien de auteur zijn van de Judasbrief (die zich een broeder van Jakobus noemt), maar dit is niet goed in overeenstemming te brengen met de wijze waarop deze auteur over de apostelen als over ‘anderen’ spreekt (Jud 17). In het evangelie worden behalve Jakobus en Judas ook nog een Simon en een Josef of Joses broeders van Jezus genoemd (zie Mk 6,3 en Mt 13,55). Dit heeft ertoe geleid dat ook de apostel Simon de Zeloot als een broeder (= neef) van Jezus en zoon van Maria van Klopas werd beschouwd, evenals overigens een der kandidaten om de plaats van Judas, de verrader, in het Twaalftal in te nemen, nl. "Josef ook Barsabbas geheten, bijgenaamd Justus" (Hand 1,23), waarin dan een broer gezien werd van "Judas, bijgenaamd Barsabbas" (Hand 15,22), die dan weer was geïdentificeerd geworden met de apostel Judas Taddeüs. Een naamsverwarring is er vervolgens verantwoordelijk voor dat Barnabas, de gezel van de apostel Paulus op de eerste missiereis, onder de zonen van Maria van Klopas werd gerekend. Omdat Levi of Matteüs eveneens zoon van Alfeüs wordt genoemd (Mk 2,14) werd ook hij als een zoon van Maria van Klopas beschouwd.
  3. Salome is ook een der vrouwen uit Jezus’ gevolg. Volgens de legende zou ze de derde dochter zijn van Anna, de moeder van Maria en de grootmoeder van Jezus, die drie mannen zou gehad hebben, Klopas, Salomas en Joachim, van wie ze dan telkens een dochter had met de naam Maria. (Maria) Salome zou (aangezien Matteüs i.p.v. Salome de moeder van de zonen van Zebedeüs noemt als een der vrouwen die bij de kruisiging aanwezig waren) de echtgenote van Zebedeüs en de moeder van twee van Jezus’ lievelingsapostelen, nl. Johannes en Jakobus, geweest zijn. Dit maakt dan dat ook de apostel en evangelist Johannes en de apostel Jakobus de Meerdere neven van Jezus zouden geweest zijn, wat echter in het N.T. nergens uitdrukkelijk wordt gezegd.
  4. Volgens de min of meer legendarische stamboom die uit ‘personalia’, die over het hele N.T. verspreid zijn, in de tijd van de kerkvaders en in de Middeleeuwen geconstrueerd is geworden, zouden dus zes van de apostelen en een van de meest vooraanstaande leerlingen (Josef Barsabbas) of zelfs Paulus’ gezel Barnabas (die dan bovendien verwant was met de familie van de evangelist Markus, bij wie Petrus kind aan huis was) neven van Jezus zijn geweest. Zoals bekend was ook Elisabeth, de moeder van Johannes de Doper een verwante van Jezus’ moeder. Al deze gegevens werden in de 15de eeuw, de tijd van Rogier van der Weyden verwerkt in afbeeldingen van de H. Sibbe. De Tongerse bisschop Servatius uit de 4de eeuw, die met Jezus verwant zou geweest zijn, wordt eveneens in deze voorstellingen opgenomen.

Schematisch overzicht van de H.Sibbe in:

 Reclams Lexikon der Heiligen und der biblischen Gestalten, Stuttgart, 1968, p. 464.