Adam en Eva in de Tuin der Lusten van Jheronimus Bosch

 

Gecopieerd van: http://www.wga.hu/html/b/bosch/3garden/1garden.html

 

 

Het linker paneel van de binnenzijde toont het aards paradijs. In een parkachtig landschap met wonderbaarlijke bergen, bouwsels, planten, vissen, vogels en andere dieren, zien we God (of Christus?), die Eva bij Adam brengt en hen zegent (het paradijshuwelijk). Blijkens de gelaatsuitdrukking van Adam wordt het moment uitgebeeld waarop hij zegt: “Eindelijk, dit is been van mijn gebeente, en vlees van mijn vlees! Mannin (‘isja’) zal zij heten, want uit een man (‘isj’) is zij genomen” (Gen. 2,23; vgl. Ef. 5,30 in de vroegere Vulgaattekst[1]). In Adam ontwaakt op dat ogenblik de begeerte. Met die begeerte (‘concupiscentia’ of ‘kwade begeerlijkheid’, die volgens Augustinus verband houdt met de ‘luxuria’, wellust[2]) schijnt toch iets mis te zijn, want er lopen in het paradijs van Bosch nogal wat mismaakte dieren rond, bv. uit het watertje op het midden van het luik komt een soort hagedis met drie koppen gekropen. Op De tuin der lusten heeft Bosch de zondige concupiscentie uitgebeeld, d.i. de begeerte die niet meer wordt geregeld door de rede zoals dat in de oorspronkelijke staat van de mens zoals hij door God bedoeld was, nl. in de staat van de door de genade verheven natuur, wel het geval was.

            Bosch heeft dus op het linker zijluik van De tuin der lusten a.h.w. in één ogenblik (letterlijk!) uitgebeeld wat in het paradijsverhaal in de tijd uiteengelegd wordt op twee verschillende momenten: enerzijds de schepping van Eva en haar ‘huwelijk’ met Adam en anderzijds de zondeval, die gepaard gaat met het ontstaan van de zondige begeerte waardoor de mens zich afwendt van God. In het kader van zijn interpretatie van de voorstelling van het paradijshuwelijk op het zijluik van De tuin der lusten bespreekt Vandenbroeck de theologische discussie over de seksualiteitsbeleving van Adam en Eva in het aards paradijs vanaf de kerkvader Augustinus tot 15de-eeuwse Nederlandse theoloog Dionysius de Kartuizer. Door toedoen van het humanisme flakkerde die discussie in het begin van de 16de eeuw opnieuw op[3]. Zoals de door Augustinus bestreden pelagianen en zoals Petrus Abaelardus in de 12de eeuw waren de humanisten van de Renaissancetijd in het algemeen van oordeel dat de seksuele lust een natuurlijk gegeven was dat reeds in het aards paradijs bestond en dus niet zondig was. Deze opvatting vinden we bv. verwoord in Dboeck der inghelen, dat in 1517 bij Thomas van der Noot in Brussel gedrukt is en dat onomwonden stelt dat de “natuerlijcken appetijt van god comen es”[4].

            De theologen van de universiteiten van Leuven en Parijs, die de op Augustinus teruggaande communis opinio van de katholieke Kerk verdedigden, bestreden echter de humanistische zienswijze aangaande de seksuele lust. Toen in 1518 bij Dirk Martens een jeugdwerk van Erasmus, Encomium matrimonii, waarin het huwelijk werd opgehemeld ten koste van het celibaat, bij Dirk Martens ter perse gelegd was en zo aan de openbaarheid prijsgegeven, was de leidende figuur onder de Leuvense theologen, Jean Briart, daardoor zeer geschandaliseerd. In februari 1519 bekritiseerde hij dit boekje fel in een rede bij een doctoraatspromotie. In zijn Apologia herhaalde Erasmus niettemin zijn stelling aangaande de seksuele prikkels die reeds in het paradijs bestonden. Deze stelling werd in de daaropvolgende decennia door diverse scholastieke theologen, ook van Parijs, op de korrel genomen. Volgens hen bestond de lust weliswaar reeds in het paradijs, maar die was toen volledig onderworpen aan de rede. Met de zondeval (dus in de staat van de gevallen natuur) was die lust echter ongeregeld - want niet meer in toom gehouden door de wet van God en door de goddelijke instelling van het huwelijk - en dus zondig geworden. Dit is wat Bosch heeft uitgebeeld: het ontstaan van de zondige begeerte bij Adam wanneer die in zijn overweldigend verlangen naar Eva God vergeet en zich van God en Diens geboden losmaakt. De natuur (de natuur van de mens én de natuur als zodanig) geraakt dan in verval: in de plaats van de verheven staat van de genade die bestaat in de verbondenheid met God, waartoe Adam en Eva in het aards paradijs geroepen waren, komt de vervallen staat van de zonde die bestaat in ongehoorzaamheid aan God.

            Dat de triptiek gaat over de zondige begeerte wordt bevestigd door de voorstelling van het middenpaneel met een minnekozende massa naakte mensen in hetzelfde wonderbaarlijke landschap als op het linkerpaneel, want het loopt door over de scheiding tussen de beide luiken. Naar aanleiding van dit tafereel, dat ondanks de hel op het rechterluik door nogal wat Boschspecialisten (in de lijn van W. Fraenger, die op het middenluik de adamietische ketterij van de Broeders en Zusters van de Vrije Geest uitgebeeld zag) positief werd geïnterpreteerd als de weergave van een na te streven toestand[5], werd de triptiek later De tuin der lusten genoemd. Jonge mannen en vrouwen hebben elkaar lief, ze kussen en strelen elkaar, ze liefkozen en vrijen. Midden in het water rijst een merkwaardige toren op, bestaande uit rode, roze, blauwe en grijze geometrische elementen met als basis een blauwe bol. Precies op het snijpunt van de middenas van de compositie met het wateroppervlak, in de holte van deze blauwe bol, zien we het enige echt duidelijk obscene gebaar op dit schilderij: een man grijpt naar het geslachtsorgaan van een vrouw. In de Boschliteratuur is reeds gewezen op De Dood als krijgsknecht omhelst een jonge vrouw van Niklaus Manuel Deutsch, waar we de gepersonifieerde dood hetzelfde gebaar zien maken. Van groter belang voor de interpretatie van Bosch’ schilderij is echter een tekening naar een verloren origineel van Hans Baldung Grien, Adam begehrt Eva, waarop Adam Eva’s geslacht aan het bevingeren is[6]. We kunnen dus veronderstellen dat de man en de vrouw in de holte van de blauwe bol bij Bosch ook Adam en Eva zijn. Bosch heeft hen echter voorgesteld als oude en afgeleefde mensen: Adam en Eva in de staat der vervallen natuur.

            In het midden van het centrale luik van De tuin der lusten trekt een circusachtige stoet van allerlei dieren en acrobatische ruiters in de tegengestelde richting van de zon en van de wijzers van de klok rond een vijver met badende naakte jonge vrouwen, als een stoet van wellust rondom de bron van de jeugd. In deze waanzinnige rondedans bevinden zich behalve paarden ook ezels, beren, herten, ossen, zwijnen, panterachtigen, een geit, een kameel, een eenhoorn en een griffioen. Het uitbeelden van passies en ondeugden in de vorm van een stoet van mensen die op allerlei dieren gezeten zijn, was in Bosch’ tijd niet ongewoon[7]. Zo was het gebruikelijk Venus of Luxuria te verbeelden als een vrouw die schrijlings gezeten is op een zwijn, want dit dier volgt steeds zijn lagere neigingen in. Dergelijke figuur zien we dan ook in de rondtollende stoet op De tuin der lusten verschijnen. Het motief van deze stoet heeft een bijbelse oorsprong. In de Vulgaattekst van Ps. 11,9 is sprake van een ‘ommegang’ of ‘rondgang’ van slechte mensen (in relatie met de vermenigvuldiging van het mensengeslacht!): “In circuitu impii ambulant: secundum altitudinem tuam multiplicasti filios hominum” (“In een rondgang draven de boosdoeners voort: volgens uw hoge macht hebt Gij de kinderen der mensen vermenigvuldigd”)[8]. Het beeld van een in het rond lopende mengte vinden we eveneens bij de Leuvense theologieprofessor Godschalc Rosemondt (ca. 1483 - 1526). Hij was uit Eindhoven afkomstig en was dus een (Noord-)Brabander zoals Bosch. Hij werd vooral bekend als auteur van moralistische en devotionele traktaatjes in de volkstaal en van een ‘biechtspiegel’, waarvan hij ook een Latijnse bewerking maakte. Zowel in zijn geschrift over het onzevader als in zijn biechtboek gebruikt hij het beeld van een menigte die zoals Simson in de rosmolen in het rond loopt, om de menselijke verdwazing o.i.v. de zonde te beschrijven[9].

            Links op de voorgrond wijst een blanke man een zwarte vrouw op het gebeuren op het linker paneel: de zegening van Adam en Eva door God. Samen met het doorlopende landschap vormt dit ‘gemengd’ paar een verbinding tussen het midden- en het linkerluik. Rechts op de voorgrond zien we een zwarte vrouw, twee blanke vrouwen en twee mannen met een wat donkerder teint; deze vijf figuren zijn naakt op een versiering met bloemen, vruchten en enkele plantenslierten na. De vrouw die uiterst rechts staat, heeft een opvallend lange haartooi en haar lichaam blijkt bij nadere beschouwing geheel behaard te zijn. Jacob van Maerlant had in de 13de eeuw in zijn Der Naturen Bloeme reeds geschreven dat er in verre landen mensen leven die geen kleren dragen en wier lichaam bedekt is met haar. De aanwezigheid van donkere en behaarde mensen in de liefkozende massa naakte mannen en vrouwen doet vermoeden dat Bosch eigenlijk ‘wilden’ heeft uitgebeeld.

            Dit alles (Adam en Eva in de staat der vervallen natuur, de o.i.v. de zonde dwaas in het rond hollende mensenmenigte, de ‘wilden’) betekent naar alle waarschijnlijkheid niets anders dan dat die fameuze tuin der lusten de mensheid voorstelt in de staat van de pure natuur, waarover theologen juist in de tijd van Bosch begonnen te speculeren[10]. Eigenlijk zijn er over die pure natuur twee uiteenlopende theorieën. Enerzijds zijn er de theologen (vooral Italiaanse en Spaanse) die - enigszins in de lijn van wat bij Sint-Thomas van Aquino al in de kiem aanwezig was - de menselijke natuur aristotelisch-filosofisch beschouwen en aan de mens “in puris naturalibus” (d.i. aan de mens die alleen van zijn natuurlijke vermogens gebruik maakt) heel wat mogelijkheden toeschrijven. Zij zijn van oordeel dat de mens als zodanig gericht is niet op het eeuwig heil dat het christelijk geloof hem belooft en dat alleen God hem kan geven, maar op een puur natuurlijk heil en geluk dat hij met zijn natuurlijke krachten kan bereiken. Anderzijds zijn er de theologen die - heel duidelijk in de lijn van Sint-Augustinus - de mens zien in het licht van de christelijke Openbaring en eraan vasthouden dat die mens door God geschapen is om met Hem gelukkig te zijn. De mens is dus gericht op de zalige Godsaanschouwing. en kan alleen maar gelukkig zijn als hij van God dit eeuwig heil kan krijgen. Om het onverschuldigd karakter van de genade en van het heil duidelijk in het licht te stellen maken deze theologen de veronderstelling dat God de mens ook zou kunnen geschapen hebben zonder hem te bestemmen voor het eeuwig heil. De eveneens in Leuven docerende theoloog Johannes Driedo van Turnhout (ca. 1480 - 1535)[11], die dus ook een streek- en (ietwat jongere) tijdgenoot van Bosch was, is de eerste die een dergelijke theorie van de pure natuur opstelt. Driedo is bekend als de auteur van volumineuze Latijnse traktaten waarin hij vooral op grond van Augustinus de leer van de katholieke Kerk verdedigt tegen humanisme en Reformatie. Zijn werk oefende grote invloed uit op het Concilie van Trente en op de kerkleraar Robertus Bellarminus. Driedo ziet de pure natuur helemaal niet zo positief als sommige van zijn tijdgenoten. Bij hem is die pure natuur identiek met de natuur van de mens zoals die nu is: onderworpen aan kwade begeerlijkheid en aan lijden en dood, want niet voorzien van de uit de Godsverbondenheid voortvloeiende oorspronkelijke gerechtigheid, die de vrijwaring van deze kwalen bewerkte. In een pure-natuurstaat zit de mens volgens Driedo dus in een onheilssituatie; in deze staat kan zijn eindbestemming enkel en alleen de hel zijn.

            De visie die Bosch heeft uitgebeeld op De tuin der lusten komt o.i. volledig overeen met wat Driedo enkele jaren later zal uiteenzetten in zijn geleerde Latijnse traktaten. Bij Bosch zien we wat er gebeurt als de mens aan zichzelf overgelaten wordt, zoals in die pure-natuurstaat volgens Driedo het geval is. Dan leidt zijn kwade begeerlijkheid de mens tot gedragingen die niet meer menswaardig zijn: in de ronddraaiende stoet van de wellust bemerken we een jongeman die een “duidelijke poging tot autofellatio” onderneemt, terwijl er onder de minnekozende menigte ook zijn die zich overgeven aan homofilie en anaalerotiek (sodomie)[12], zoals waarschijnlijk gesuggereerd wordt door het koppel jongemannen, waarvan de ene de andere bloemen in zijn achterwerk stopt.


 

[1]Thans luidt de Vulgaattekst van Ef. 5,30 in navolging van de algemeen aanvaarde Griekse tekst: “quia membra sumus corporis eius” (“omdat we ledematen van zijn lichaam zijn”). In de vroegere Vulgaattekst werd daar conform een aantal Griekse handschriften van de Westerse groep aan toegevoegd: “de carne eius, et de ossibus eius” (“van zijn vlees, en van zijn beenderen”). Aldus werd in dit vers ook Gen. 2,23 geciteerd, terwijl het volgende vers, Ef. 5,31, evenals Mt. 19,5-6, een citaat is van Gen. 2,24. De fundamentele nieuwtestamentische tekst over het christelijk huwelijk verwees zodoende niet alleen heel duidelijk naar het paradijshuwelijk van Adam en Eva, maar ook naar het ontstaan van Eva uit de rib van Adam. Parallel hieraan werd dan in de kerkelijke leer op grond van deze verzen gesteld dat de Kerk ontstaan is uit de zijdewond van de stervende Christus op het kruis en dat Christus en de Kerk Bruidegom en Bruid zijn; dit is het ‘mysterie’ waarvan in Ef. 5,32 sprake is en dat door het sacrament van het huwelijk betekend en tegenwoordig gesteld wordt.

[2]Dat de concupiscentia verband houdt met de luxuria blijkt ook uit de iconografie: zie Vandenbroeck, ‘Jheronimus Bosch’ zogenaamde Tuin der Lusten’, dl. I (1989), p. 34-35 (met verwijzing naar studies van Bax en Trapp: zie n. 184 en n. 186). Vandenbroeck wijst erop dat ook andere hoofdzonden, bv. de hoogmoed, bij de zondeval een rol kunnen spelen (verwijzing naar studies van Bax en Crist in n. 185). Via een foto in het Warburginstituut kent Vandenbroeck ook een Vlaams wandtapijt van ca. 1500, waarop Eva niet alleen door de slang maar ook door de hoogmoed, de onmatigheid en de hebzucht wordt aangezet tot het eten van de appel (n. 185).

[3]Zie over deze discussie in het begin van de 16de eeuw: Marcel Gielis, ‘L’augustinisme anti-érasmien des premiers controversis­tes de Louvain Jacques Latomus et Jean Driedo’, in: L’augustinisme à l'ancienne Faculté de Théologie de Louvain, ed. M. Lamberigts, Leuven, 1994, p. 36-39.

[4]Marijnissen, Hiëronymus Bosch, p. 128.

[5]Zie bv. de recente studie van de bekende kunsthistoricus Hans Belting, Hieronymus Bosch: Garten der Lüste, München: Prestel, 2002.

[6]Marianne Bernhard, Hans Baldung Grien: Handzeichnungen, Druckgraphik, München: Südwest-Verlag, 1978, p. 283. Vandenbroeck, ‘Jheronimus Bosch’ zogenaamde Tuin der Lusten’, dl. I (1989), p. 36 wijst op een tekening van Jan Gossaert van ca. 1525-26, bewaard in Providence, waarop Eva met de linkerhand naar de appel en met de rechter naar Adams geslachtsdeel grijpt.

[7]We ontmoeten een gelijkaardig beeld in de literatuur, nl. bij Edmund Spenser: zie Bloomfield, Seven Deadly Sins, p. 365, n. 114, die denkt dat de deelnemers aan de rondrit op het middenpaneel van Bosch’ Tuin der lusten mogelijkerwijze niet alleen de hoofdzonden, maar ook nog andere ondeugden uitbeelden.

[8]In hedendaagse vertalingen die niet zoals vele vroegere vertalingen in de volkstaal op de Vulgaat zijn gebaseerd, maar rechtstreeks teruggaan op de Hebreeuwse tekst, is het beeld van de ‘ommegang’ veelal verdwenen. In de recente Willibrordvertaling luidt Ps. 12,9: “Overal doen schurken hun ronde en slechtheid viert hoogtij onder de mensen”.

[9]Vgl. Marijnissen, Hiëronymus Bosch, p. 96 en p. 101, n. 247 (zie ook p. 415, n. 582 en de afbeelding op p. 112); vgl. ook de methologische beschouwingen op p. 46. Volgens Marijnissen zou het beeld van de dwaas in het rond hollende menigte ook voorkomen bij Jacob van Varazzo (= Jacobus de Voragine).

[10]Zie over de theorie van de pure natuur: Gielis, ‘Augustinisme’, p. 51-60 en M. Gielis, ‘“Gij hebt ons voor U gemaakt en onrustig is ons hart tot het rust vindt in U”. Enkele aantekeningen betreffende de discussie over Surnaturel van Henri de Lubac’, in: Communio, 26, nr. 4 (2001), p. 289-320.

[11]Marcel Gielis, ‘Johannes Driedo. Anwalt der Tradition im Streit mit Humanismus und Reformation’, in: Martin H. Jung und Peter Walter, Theologen des 16. Jahrhunderts. Humanismus - Reformation - Katholische Erneuerung. Eine Einführung, Darmstadt: Wissenschaftliche Buchgesellschaft, 2002, p. 135-153.

[12]Th. P. van Baaren, ‘Jeroen Bosch: Katholiek of ketter’, in: Nederlands Theologisch Tijdschrift, 42 (1988), p. 43.