
Ingescand uit: Gerard Rooijakkers, Rituele repertoires. Volkscultuur in oostelijk Noord-Brabant, 1559-1853, Nijmegen: SUN, 1994, p. 578.
Wat Abraham Bloemaert (1564-1651) kort vóór of in 1615 op dit schilderij heeft uitgebeeld, zou men kunnen beschouwen als een uitwerking van het thema van de genadetrap: de zondaar richt een smeekgebed tot Maria, die vervolgens haar ontblote moederborst toont aan Christus, die op zijn beurt zijn zijdewonde toont aan de Vader. Maria en Jezus wijzen zodoende op hun verdiensten, op grond waarvan ze met recht en reden Gods genade voor de zondaar kunnen afsmeken. Terwijl het thema van de genadetrap in de late Middeleeuwen herhaaldelijk uitgebeeld werd en blijkbaar algemeen aanvaard was, ontstond er in de Contrareformatie ook van katholieke zijde kritiek op deze thematiek, nadat Luther en de andere reformatoren ze zonder meer hadden afgewezen.
Bloemaerts schilderij van de intercessie van Jezus en Maria voor een (niet afgebeelde) zondaar bleef dan ook niet onbesproken. We vernemen iets over de problemen die het opriep door het verslag van de visitatie die bisschop Zoesius van Den Bosch op het einde van het jaar 1615 deed in zijn kathedraal. Aan deze kerk was van oudsher een kapittel verbonden. Een visitatie hield in dat de bisschop de kanunniken van dit kapittel zou ondervragen om op de hoogte te geraken van eventuele misstanden. Bij gelegenheid van deze visitatie van 1615 oefende de 76-jarige kanunnik Antonius Bruynincx, een licentiaat in de godgeleerdheid, kritiek uit op een nieuw schilderij dat kort tevoren in de kerk was opgehangen boven het hoofdaltaar. Hij heeft o.a. bezwaar tegen de wijze waarop Christus wordt voorgesteld. Na zijn hemelvaart troont Jezus Christus aan de rechterhand van de Vader. Volgens Bruynincx is het niet in overeenstemming met de Schrift en de kerkvaders dat Bloemaert op het schilderij Christus in geknielde houding heeft uitgebeeld. [Zie de editie van de Latijnse tekst door A.M. Frenken, De latere kerkvisitaties, in: Bossche Bijdragen, 27 (1963-1964), p. 104.]
De klacht van Bruynincx kreeg een gevolg. De uitgever van de tekst van Zoesius visitatieverslag maakt hiervan melding in een Bijlage, die we hier overnemen [tekst ingescand uit: Frenken, Latere kerkvisitaties, p. 115]:
BIJLAGE
Naar aanleiding van het afkeurend oordeel, dat de aartsdiaken Bruynincx over het nieuwe schilderstuk in de St. Janskerk had uitgesproken (zie blz. 104), liet men er een pentekening van maken, die men ter beoordeling aan de universiteit van Leuven zond.
De geraadpleegde professoren waren Jacobus Janssonius, Guilielmus Fabricius en Guilielmus Mercerus. Zij vonden het schilderij niet toelaatbaar in een kerk, wijl om twee redenen strijdig met de Schrift en de Vaders. De quintessens van hun betoog is aldus kortelijk weer te geven: le. Na zijn verrijzenis hield Christus de de vijf wonden in ziin handen, voeten en zijde, maar overigens was zijn lichaam van alle wonden gezuiverd, geheel verheerlijkt en vol glorie; het schilderstuk echter stelt de verrezen en ten hemel opgeklommen Christus nog voor in zijn lijden, vernedering en schande. (Op de pentekening scheen het lichaam hun toe als geheel overdekt met wonden en kwetsuren). 2e. Op de afbeelding richt Christus zich tot ziin hemelse Vader in geknield-smekende houding, die een enigszins slaafse dienstbaarheid suggereert, terwijl Hij toch volgens de Schrift gezeten is aan de rechterhand des Vaders ten teken van ziin onveranderlijke macht en majesteit.
Bedoeld schilderstuk was vervaardigd door Abraham Bloemaert (1564-1651) en hangt tegenwoordig aan de zuidmuur der kerk bij de doopkapel. De pentekening (volgens wijlen Dr. X. Smits, een "zeer kostbaar origineel" van de hand van Bloemaert zelf) berust met de afkeurende beoordeling der Leuvense professoren in het archief van het Seminarie te Haaren, nr. 155. Zie de afbeelding er van tegenover blz. 1.
Ook deze afbeelding wordt hier overgenomen [ingescand uit: Frenken, Latere kerkvisitaties, vóór p. 1]:

Pentekening gemaakt naar het schilderij Intercessie van Abraham Bloemaert in de Bossche kathedraal
Voor deze historie van het schilderij van Bloemaert vgl. de tentoonstellingscataloog In Buscoducis. Kunst uit de Bourgondische tijd te s-Hertogenbosch, 2 dln., Maarssen, 1990, deel met Bijdragen, p. 561-563 en Rooijakkers, Rituele repertoires, p. 578-581.
Zoals meestal op de afbeeldingen van de H. Drievuldigheid verschijnt de H. Geest op Bloemaerts schilderij in de gedaante van een duif tussen de Vader en de Zoon. Problematisch is dus blijkens de hierboven vertelde historie evenwel dat de Zoon geknield voor de Vader is afgebeeld en op hetzelfde niveau zit als Maria. Orthodoxer zijn de afbeeldingen waarop de Vader en de Zoon naast elkaar gezeten zijn met de H. Geest tussen hun hoofden en Maria vóór hen (en ook beneden hen!) zetelt.
Onderaan op het schilderij zijn waarschijnlijk (de afbeeldingen zijn niet helemaal duidelijk) enkele motieven uitgebeeld die herinneren aan Christus lijden: het doek met de afdruk van het aangezicht en de kolom van de geseling.